Twee flessen bengelen aan een tentkoordje in de wind. Het is vier uur in de namiddag en we hebben net de tent opgezet op de camping van Dudstock. Nee, we hebben geen ticket, maar ervaring leerde ons dat dat usually niet nodig is. We wapenden ons met plastiek flesjes wijn, blikjes Cara Pils en het wereldwijd gekende Cola-Walker mengsel. Een wandeling omheen het festivalterrein moest ons een overzicht geven van de security die ticketloze mensen zoals wij moesten weerhouden binnen te komen.
Net toen we wilden vertrekken stond er een gastje bij de tent die ons vertelde dat glas niet was toegelaten op de camping. Dat wisten we natuurlijk wel, maar die flessen, nee, waarschijnlijk van de tent hiernaast. Vlijtig begon het manneke de flessen los te maken, wat blijkbaar moeilijker was dan het leek, want een tweede crewmember kwam helpen. Uiteindelijk sneuvelde het tentkoordje, tot groot jolijt van mijn twee companen, die ondertussen hun nuchterheid waren verloren.
Reeds tijdens onze verkenningstocht deden we een eerste poging. We kropen onder een hek bij de sporthal en juichden. Zo makkelijk was het nooit eerder gegaan en groot was dan ook onze teleurstelling toen we bij de ingang merkten dat we niet binnen waren. Tijd voor poging twee dus.
Twee jaar geleden lukte het, dus onder het motto ‘never change a winning game’ wandelde ik achteruit de uitgang binnen. “Leuk geprobeerd,” gromde een hand op mijn schouder. Ik gaf hem gelijk en keerde terug.
Poging drie bezorgde me de grootste kick. Als een hazenwind renden we met zijn drieën het terrein binnen, al gauw achterna gezeten door de security. In de tent gekomen zag ik dat mijn maat met het rode Coke-petje tegengehouden was. Ik bleef rennen tot plots een klein ksa-meisje vroeg waar mijn bandje was. Net toen ik ‘Oh, waarschijnlijk kwijtgeraakt’ murmelde, kwam een andere kerel naast me staan en werd ik naar buiten geleid. Even nog moest ik de jongen – die gemiddeld zeventien jaar oud was – eraan herinneren dat het vervelend en hoogst onnodig was om mijn arm vast te houden; hij liet tijdig los.
We keerden terug naar de camping en besloten dat onze kansen groter zouden zijn eenmaal het donker was. In onze tent gekomen gingen we verder met het goeie leven. Wijn en bier vertroebelden onze geesten en socializen met de omliggende tenten was plots wél aangenaam. De avond viel.
Tijd voor poging drie. Coke-petje en ik stapten door de Dudzeelse tuintjes op weg naar het bruggetje waar we ’s middags onze kans zagen. We slopen omheen het voetbalveld de akkers in, waar we merkten dat die omringd waren met een twee meter brede gracht. Toen we ons omdraaiden zagen we in de verte dansende zaklamplichtjes. We waren vroegtijdig de Jos.
Plots beseften we dat the game niet over was tot de fat lady gezongen had en zochten we een uitweg. De gracht doorwaden leek de enige oplossing; met zompig nat schoeisel betraden we het tweede veld. Gebukt liepen we door het weiland toen plots een menigte dronkaards ons luid trachtte aan te moedigen vanuit de aanpalende sanitaire voorzieningen. Dit zorgde er natuurlijk voor dat ook de buitensmijters op het festivalterrein ons door hadden. Ondertussen kwamen de zaklamplichtjes dichter. Coke-petje en ik liepen dan maar het donkere veld in, maar toen ook de lichtjes loopbewegingen maakten stak ik beide handen omhoog en bleef stilstaan. De fat lady had gezongen.
Toen we weggeleid werden naar de backstageruimte kwamen kerels met honden aanhossen, wat een geluk dat de optie ‘platliggen in de wei’ verworpen was geweest. Backstage wachtten twee agenten ons op; de oudste van de twee vroeg naar ons verhaal. Ik probeerde zo joviaal en onschuldig mogelijk uit te leggen dat we geen geld hadden, verzwijgend dat ons tentje op de camping stond. We werden vrijgelaten.
Onderweg naar de camping kwamen we Icanus, Slam!Broek en mijn neef tegen die net vertrokken. Mi bandje est du bandje, zeiden die, dus het laatste kwartier van Front 242 (overigens vrij lame) konden we alsnog gaan checken.
Op de camping gekomen vroeg een dude plots of hij bij ons mocht barbecuën. Hem niet gelovend stemden we toe. Even later stond hij met evenveel maten als worsten aan onze tent. Een (extremely handige en aan te raden) wegwerpbarbecue werd ontstoken en even later aten we allen halfgebakken worsten bij de opkomende zon.
Het was ondertussen 8 uur en de camping kwam tot leven. Er werd weer ‘Oere’ geroepen en rockers met wallen tot op hun schouders gingen hysterisch op zoek naar chocomelk. We besloten dat het tijd werd om een dutje te doen. Niet veel later was noch BartN noch Coke-petje terug wakker te krijgen.
Omstreeks 11 uur braken we de tent af. Wat een nacht was het geweest. Goldtrix kwam ons oppikken en we lieten Dudzele terug voor een jaartje achter. Wat is er daar namelijk te doen de overige 364 dagen?